CRvB 23 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4784

Naar aanleiding van het prejudiciële verzoek van de Raad, ECLI:NL:CRVB:2013:2099, heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie bij arrest (ECLI:EU:C:2015:359) de gestelde vragen beantwoord. Uit het arrest volgt - en ook partijen verschillen daarover niet meer van mening - dat de Svb in overeenstemming met het Europees recht de met ingang van 1 juni 2006 verleende verklaring tot ontheffing van de verzekeringsplicht AWBZ met volledige terugwerkende kracht heeft ingetrokken. De verklaring tot ontheffing van de verzekeringsplicht AWBZ is slechts declaratoir en dient in overeenstemming te zijn met de objectieve situatie waarin iemand zich bevindt op grond van het Europese recht. De bevoegdheid om een rechtstoestand vast te stellen in afwijking van het objectieve recht, heeft de Svb daarom niet. Aanleiding voor de tweede prejudiciële vraag is geweest dat de toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71 mogelijk leidt tot verzekering voor de AWBZ met terugwerkende kracht, met als gevolg dat betrokkene met diezelfde terugwerkende kracht verzekeringsplichtig wordt voor de Zvw, terwijl volgens die wet een zorgverzekering slechts met vier maanden terugwerkende kracht kan ingaan. Hoewel deze vraag niet van belang was voor de beantwoording van de rechtsvraag in dit geding, is deze wel relevant voor de in een breder perspectief te plaatsen zorgplicht van de Nederlandse Staat, zoals deze uit het Unierecht voortvloeit. Uit het arrest moet worden afgeleid, dat op de Nederlandse Staat een verplichting rust betrokkene de bescherming te bieden die in overeenstemming is met het communautaire recht.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken