CRvB 29 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3330

Ontbreken van procesbelang: Vaststaat dat de opschorting van het recht op bijstand niet is gevolgd door een intrekking van de bijstand met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB en een intrekking op die grond gelet op de maximale duur van de opschorting niet meer mogelijk is. Het college heeft bij het in 1.4 genoemde besluit van 20 maart 2013 de bijstand van appellante alsnog en ook over de periode waarop de opschorting betrekking heeft, ingetrokken Het besluit waarbij het recht op bijstand is opgeschort heeft dan ook voor appellante geen feitelijke betekenis meer indien, en zo volgt uit deze uitspraak, die intrekking in rechte standhoudt. Een voldoende procesbelang zou gelegen kunnen zijn in een in bezwaar ingediend verzoek om vergoeding van de kosten van het bezwaar, maar een dergelijk verzoek heeft appellante niet gedaan. Niet gesteld of gebleken is dat appellante schade heeft geleden als gevolg van de opschorting van het recht op bijstand. Een belang kan tot slot niet worden ontleend aan de door appellante gewenste proceskostenveroordeling, nu van de in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde bevoegdheid door de rechter ook gebruik kan worden gemaakt indien het beroep niet inhoudelijk is behandeld.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken