CRvB 16 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3138

Intrekking WW-uitkering met terugwerkende kracht. Terugvordering. Appellant is een ZW-uitkering onthouden wegens het plegen van een benadelingshandeling als bedoeld in artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW en is louter ten gevolge van de gelijkstellingsbepaling van artikel 19, tweede lid, van de WW daardoor uitgesloten van het recht op een WW-uitkering. Dit verband tussen de weigering van de ZW-uitkering en de uitsluiting van een WW-uitkering had appellant niet redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn. Bij het vormen van dit oordeel is mede in aanmerking genomen dat het aan het Uwv zelf kennelijk ook niet onmiddellijk duidelijk was dat appellant geen recht had op een WW-uitkering. Dat blijkt niet alleen uit het feit dat appellant een WW-uitkering is toegekend, maar ook uit het feit dat de intrekking daarvan aanvankelijk, gelet op artikel 24, zesde lid, van de WW, op een onjuiste grondslag was gebaseerd. Dit leidt tot de slotsom dat de intrekking van de WW-uitkering met terugwerkende kracht tot 24 december 2012 en de terugvordering in strijd zijn met het rechtszekerheidsbeginsel.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken