CRvB 20 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2816

1) Vaststelling plichtsverzuim. Werkzaamheden verricht terwijl dat niet was toegestaan. Door een redelijk voorschrift van het bestuur te overtreden, heeft appellant zich schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. 2) Voldoende grond voor schorsing. 3) Ontslag. Dat appellant werkzaamheden heeft verricht terwijl hem dat niet was toegestaan, kan het bestuur niet als plichtsverzuim aan het ontslag meer ten grondslag leggen, omdat het bestuur bij besluit 1 had volstaan met een vaststelling. Door het visiedocument te verspreiden ondanks een redelijk voorschrift van het bestuur dit niet te doen en zich grievend en beledigend uit te laten over het bestuur en collega’s heeft appellant zich schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. Het disciplinair ontslag is niet evenredig aan het gepleegde plichtsverzuim. Subsidiaire ontslaggrond houdt stand. Met zijn grievende en beledigende uitlatingen heeft appellant zich zowel bij het bestuur als bij zijn collega’s in korte tijd onmogelijk gemaakt. 4) De loonkorting en de uitkering op grond van artikel 39 BZA. Geen grond voor het achterwege laten van de loonkorting. Het bestuur is op grond van artikel 39, eerste lid, van het BZA niet bevoegd na twaalf maanden ongeschiktheid een hogere uitkering te verlenen dan 70% van de laatst genoten bezoldiging.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken