CRvB 23 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2441

De rechtbank heeft het door appellant ter zitting gedane beroep op artikel 1, aanhef onder b en c, in samenhang met artikel 4, aanhef en onder c, van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (Wgb/CZ) buiten beschouwing mogen laten. Nu het dagelijks bestuur zich daar niet op heeft kunnen voorbereiden en niet is gebleken dat deze beroepsgrond niet eerder aangevoerd had kunnen worden, heeft de rechtbank de handelwijze van appellant terecht in strijd met de goede procesorde geacht. De stelling van appellant dat de rechtbank op grond van artikel 8:69, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgronden had moeten aanvullen, treft geen doel. In de in het beroepschrift vermelde grond dat ten onrechte is verwezen naar de medische beperkingen en het ziekteverzuim van appellant heeft de rechtbank geen beroep op de Wgb/CZ hoeven lezen. Dit neemt niet weg dat de Raad in hoger beroep wel acht zal slaan op de aan de Wgb/CZ ontleende beroepsgrond van appellant. Het in artikel 4, aanhef en onder c, van de Wgb/CZ bedoelde ongeoorloofde onder c, van de Wgb/CZ bedoelde ongeoorloofde onderscheid ziet op het aanstellen tot ambtenaar en het beëindigen van het dienstverband van een ambtenaar en niet op het plaatsen van de ambtenaar in een functie binnen een reeds bestaand dienstverband, waarvan hier sprake is. Deze beroepsgrond treft geen doel. Overigens is niet gebleken dat appellant op grond van handicap of chronische ziekte niet in de functies van commercieel manager of manager detachering is geplaatst.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen