CRvB 22 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2427
Uit wat in 5.2 tot en met 5.2.3 is overwogen, volgt dat het Uwv terecht tot de conclusie is gekomen dat werkgeefster geen re-integratieactiviteiten heeft gemist. Eveneens terecht heeft het Uwv werkgeefster niet verplicht om na 104 weken nog loon aan appellant te betalen. De (im)materiële schade die appellant stelt te hebben geleden door het ten onrechte niet opleggen van een loonsanctie kan niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat van onrechtmatige besluitvorming door het Uwv geen sprake is geweest. Het verzoek van appellant om vergoeding van die schade wordt daarom afgewezen, alsmede - in het verlengde hiervan - zijn verzoek om een onafhankelijk schade-expert in te schakelen. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze bestaan uit de reiskosten, in beroep en in hoger beroep, in totaal begroot op € 79,20. Het verzoek van appellant om vergoeding van zijn hotelkosten van € 54,51 wordt, gelet op artikel 8:75 van de Awb in samenhang met artikel 1, aanhef en onder d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht toegewezen. Op grond van de zeer ernstige psychische beperkingen van appellant in samenhang met de reisafstand, de daaraan verbonden reisduur alsmede het tijdstip waarop zijn zaak bij de Raad is behandeld, kunnen die kosten als redelijkerwijs gemaakte kosten worden aangemerkt.
De uitspraak op rechtspraak.nl