CRvB 12 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2072

Beoordeeld dient te worden of bij het bestreden besluit ten onrechte geen rekening is gehouden met de periodes waarin appellante heeft gewerkt voor een school in Duitsland. Appellante dient te worden aangemerkt als “betrokkene” in de zin van artikel 2 van het BBWO, nu zij tot 1 augustus 2011 in dienst was van een instelling als bedoeld in artikel 1, onder b, van het BBWO. Tussen partijen is in geschil of appellante voldoet aan de voor het recht op een aansluitende uitkering vereiste “diensttijd”. Verdraagt het bestreden besluit zich met het Unierecht, in het bijzonder Vo 883/2004?. De minister heeft geen omstandigheden aangevoerd die kunnen wijzen op een relevant verschil tussen, enerzijds, de vorm van lager onderwijs waartoe de school in Duitsland behoort, waarvoor appellante heeft gewerkt en, anderzijds, het onderwijs in Nederland waarop het BBWO betrekking heeft. Sprake van een soortgelijk feit in de zin van artikel 5, onder b, van Vo 883/2004, waaraan het nationale recht rechtsgevolgen verbindt. De minister zal een nieuwe beslissing op het bezwaar nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, onder toepassing van artikel 8:113, tweede lid, en toekenning pkv en gr. recht.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen