CRvB 29 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1924
De door partijen gekozen constructie, waarbij het bestuursorgaan weigert een passende regeling te treffen en vervolgens de rechter verzoekt om - zelf in de zaak voorziend - de door partijen overeengekomen regeling te bekrachtigen, is in strijd met artikel 10d:4 van de CAR/UWO, dat imperatief voorschrijft dat het bestuursorgaan (zelf) een passende regeling treft. Gegeven de omstandigheid dat de rechtbank zelf heeft voorzien in een passende regeling en uit het oogpunt van finale geschillenbeslechting, zal de Raad een oordeel geven over de ontslagregeling als geheel, zoals deze door de rechtbank is bepaald. Het overeengekomen bedrag ter afkoop van uitkeringsrechten vloeit voort uit een wettelijk voorschrift en daarop is niet het maximumbedrag - van € 75.000,- dat is opgenomen in de WNT - van toepassing. De overeengekomen compensatie van gemiste pensioenopbouw en betaling van de bezoldiging over een re-integratiefase van acht maanden vallen echter niet onder de uitzonderingsbepaling van de WNT. Dit zijn namelijk geen vaste componenten van een passende regeling bij een ontslag wegens een verstoorde arbeidsverhouding.
De uitspraak op rechtspraak.nl