CRvB 13 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1598
Toekenning AOW-pensioen en een partnertoeslag, ten bedrage van € 3,94 bruto over de maand maart 2013 en van € 10,19 bruto per maand met ingang van april 2013. De WAO-uitkering is terecht op grond van de bepalingen van de AOW en het Inkomensbesluit volledig in mindering gebracht op de partnertoeslag. geen sprake van discriminatie op grond van handicap of chronische ziekte doordat de WAO-uitkering – in tegenstelling tot inkomen uit arbeid – volledig in mindering wordt gebracht op de partnertoeslag. De rechtvaardiging voor het hier aan de orde zijnde onderscheid ligt in het motief van de wetgever om deelname aan het arbeidsproces (van de jongere partner van de AOW-gerechtigde) niet te ontmoedigen. Geen gronden voor het oordeel dat de toeslagregeling in de AOW de toetsing aan artikel 26 van het IVBPR (of enig ander discriminatieverbod waaraan de rechter vermag te toetsen) niet kan doorstaan. In de totstandkoming in 2003 van de Wgbh/cz is geen aanleiding gelegen daarover nu anders te oordelen. Voor zover het (gezins)inkomen onder het sociaal minimum ligt, komt dat niet voort uit de korting van de WAO-uitkering van de echtgenote op de toeslag, maar doordat op het AOW-pensioen en de toeslag een korting wordt toegepast in verband met niet-verzekerde jaren.
De uitspraak op rechtspraak.nl