CRvB 20 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1595
1) Intrekking WIA-uitkering en toeslag. Detentie. Boete. Bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding. 2) Verrekening na te betalen WAO-uitkering en de toeslag met de nog openstaande vordering, bestaande uit de terugvordering WAO-uitkering, de toeslag en de boete. Nu in de WAO en de TW niet expliciet is geregeld dat een geldschuld, bestaande uit onverschuldigd betaalde WAO-uitkering en toeslag, met een bestaande vordering kan worden verrekend betekent dit dat er geen wettelijke grondslag bestond voor de verrekening van hetgeen aan uitkering ingevolge de WAO en TW onverschuldigd is betaald met de nabetaling van de WAO-uitkering en de toeslag. Dit is anders ten aanzien van de verrekening van de geldschuld van appellant aan het Uwv, die bestaat uit de bestuurlijke boete, met de nabetaling van de WAO-uitkering en de toeslag. In artikel 29g van de WAO is, voor zover hier van belang, immers bepaald dat het Uwv de bestuurlijke boete verrekent met een uitkering op grond van deze wet of een toeslag op grond van de Toeslagenwet. Voorts is in artikel 14g, eerste lid, van de TW, voor zover hier van belang, bepaald dat het Uwv de bestuurlijke boete verrekent met een toeslag op grond van deze wet of een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Overtuigend is komen vast te staan dat appellant ondanks herhaald verzoek van het Uwv niet aan zijn verplichting heeft voldaan om informatie te verstrekken die voor de vaststelling van de beslagvrije voet van belang is, als gevolg waarvan de bepalingen omtrent de beslagvrije voet niet van toepassing zijn.
De uitspraak op rechtspraak.nl