CRvB 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1441
Geen sprake van verjaring. In ogenschouw genomen wat de erven hebben aangevoerd, gaat de Raad ervan uit dat betrokkene eerst door kennisneming van de inhoud van de ... brief van de Staatssecretaris van Defensie van 30 maart 2006 bekend is geworden met de omstandigheid dat de schade (mede) is veroorzaakt door een tekortschietend of foutief handelen van appellant (de Minister van Defensie). Tot dat moment was er voor betrokkene geen voldoende zekerheid in de zin van het onder 3.5 genoemde arrest (ECLI:NL:HR:2003:AL8168), dat zijn klachten wellicht (mede) zijn veroorzaakt door een mogelijke schending van de zorgplicht door appellant. 3.8.Uit wat onder 3.1 tot en met 3.7 is overwogen volgt dat de korte verjaringstermijn in ieder geval niet is aangevangen vóór 30 maart 2006. Dit betekent dat de verjaringstermijn op 12 december 2006 niet was verstreken. Appellant heeft zich dan ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat de mogelijke vordering is verjaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl