CRvB 23 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3588
Weigering om betrokkene met terugwerkende kracht te bevorderen. Verzoek opvatten als een verzoek om terug te komen van het functietoewijzingsbesluit. De bevordering van collega’s P en Van N is ten onrechte niet aangemerkt als een nieuw feit op basis waarvan tot bevordering met terugwerkende kracht zou moeten worden overgegaan. Ten tijde van het oorspronkelijke besluit en het daaraan gekoppelde heroverwegingsbesluit was artikel 40 van de BAFBD van toepassing en niet artikel 24a van het AMAR zoals door de minister is betoogd. Op grond van dit artikel dient, indien naar aanleiding van de uitkomst van een functiewaarderingsonderzoek - al dan niet in samenhang met een nieuwe functiebeschrijving - bij een bestaande functie sprake is van een verhoging van de rang, de defensieambtenaar die deze functie vervult bevorderd te worden tot deze rang. Het standpunt van de minister dat het niet langer vervullen van de functie door betrokkene ten tijde van het rekest aan bevordering in de weg staat, deelt de Raad niet. Het onthouden van een bevordering met terugwerkende kracht enkel op de grond dat de betrokkene de functie niet meer vervulde ten tijde van het indienen van het rekest is een te zeer beperkende en daarmee onredelijke uitleg van artikel 40, eerste lid, van de BAFBD. Dit brengt mee dat betrokkene met terugwerkende kracht tot de datum van functietoewijzing in aanmerking komt voor bevordering tot kapitein. Proceskosten. Samenhangende zaken. Geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn. Het besluit ter uitvoering van de aangevallen uitspraak is niet alleen binnen de termijn genomen, maar is ook binnen de termijn verzonden. De minister is betrokkene dan ook geen dwangsom verschuldigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl