CRvB 27 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3478

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Intrekking en terugvordering bijstand. Verzoekster beschikt niet meer over een verblijfstitel op grond waarvan recht bestaat op bijstand. Voldoende spoedeisend, nu verzoekster voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar woning zal verliezen als zij verstoken blijft van financiële middelen. Dat een vreemdeling de behandeling van een verzoek om een voorlopige voorziening in Nederland mag afwachten, brengt geen rechtmatig verblijf met zich. Het onderscheid in bijstandsverlening dat verzoekster bestrijdt, vloeit voort uit de keuze van de wetgever om in vreemdelingenzaken rechtmatig verblijf toe te kennen aan vreemdelingen hangende het eerste rechtsmiddel tegen de intrekking van hun toelating en niet hangende een volgend rechtsmiddel. Evenals de rechtbank ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding het hieruit voortvloeiende gevolg voor de toepassing van de WWB als een ongerechtvaardigd onderscheid aan te merken, nu geen sprake is van gelijke gevallen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen