CRvB 3 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2300

Terugvordering Wuv-uitkering. Bij brief van 20 april 2011 heeft verweerder de erven meegedeeld dat het nog openstaande bedrag van € 1.025,19 bij hen wordt neergelegd, omdat de vordering volgens de regels van het erfrecht overgaat op de erven die de nalatenschap hebben aanvaard. Op grond van artikel 4:182, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek worden bij het overlijden van de erflater zijn erfgenamen van rechtswege schuldenaar van de schulden van de erflater die niet met zijn dood tenietgaan. De overgang op appellant van het nog openstaande gedeelte van de schuld aan verweerder, waarop het besluit van 27 oktober 2008 ziet, heeft dus van rechtswege plaatsgevonden. Het is niet de brief van 20 april 2011 geweest die tot die overgang heeft geleid. Deze brief is daarmee niet op rechtsgevolg gericht, maar zuiver informatief van aard. Dat betekent dat de brief niet is te beschouwen als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het was dus niet mogelijk om op grond van artikel 7:1 van de Awb bezwaar tegen deze brief te maken.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken