CRvB 22 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:214
De Raad is met de rechtbank en betrokkene van oordeel dat de zich in het dossier bevindende stukken onvoldoende onderbouwing vormen voor het standpunt van CIZ dat pas ten tijde van de aanvraag van 31 december 2011 sprake was van een verslechtering van de arm-handfunctie op grond waarvan CIZ meent dat betrokkene met ingang van 3 maart 2012 wel voor een ZZP VV08 in aanmerking dient te komen en daarvoor nog niet. De rechtbank heeft terecht gewezen op het verslag van de hoorzitting van 10 januari 2011 en de daarbij behorende pleitnota waaruit blijkt dat betrokkene moet worden geholpen bij het eten en drinken omdat zij niet in staat is zelfstandig een glas vast te houden. Ook heeft de rechtbank er terecht op gewezen dat het feit dat betrokkene nog kon tekenen niet betekende dat zij zelf nog eten en drinken tot zich kon nemen en ook dat voor die aanname door CIZ geen steun in de zich in het dossier bevindende stukken is te vinden. Bovendien kon betrokkene ten tijde van de behandeling door de rechtbank nog tekenen terwijl toen wel door CIZ werd aangenomen dat betrokkene zelf geen eten en drinken meer tot zich kon nemen. De Raad onderschrijft deze overwegingen van de rechtbank.
De uitspraak op rechtspraak.nl