CRvB 5 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1937
1) Aanwijzing als herplaatsingskandidaat. Het samenstel van werkzaamheden van de functie van appellante is al feitelijk verdwenen. Die werkzaamheden werden daarna bij de rechtbank ook niet door een ander uitgeoefend. Geen sprake van functievolger. 2) Ontslag. Primaire grond. Uit de gang van zaken kan niet concludeerd worden dat appellante een gedrag heeft vertoond dat kan worden aangemerkt als het weigeren van een passende functie. Ten onrechte ontslag verleend op grond van artikel 49l, eerste lid, van het ARAR. Subsidiaire grond. Onvoldoende feitelijke grondslag voor verlies aan vertrouwen bij het bestuur. Het bestuur van de rechtbank heeft appellante niet goed voorgelicht over haar rechtspositie en de aard van het gesprek. Appellante is eveneens ten onrechte ontslag verleend op grond van artikel 99, eerste lid, van het ARAR.
De uitspraak op rechtspraak.nl