CRvB 20 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1749

Het dagelijks bestuur heeft vanaf de toekenning van de bijstand gedurende circa 22 jaren onafgebroken bijstand aan appellante verleend, ondanks vele heronderzoeken naar de rechtmatigheid daarvan. Daarbij heeft appellante, onder meer bij de invulling van de jaarlijkse rechtmatigheidsformulieren, steeds openheid van zaken gegeven. Het dagelijks bestuur heeft appellante aldus zeer langdurig en frequent bevestigd in de veronderstelling dat de leefvorm met haar zuster in het kader van de WWB niet was aan te merken als een gezamenlijke huishouding en daarom niet was gelijk te stellen met een situatie als die van gehuwden. Appellante heeft als gevolg daarvan geen rekening kunnen en behoeven te houden met een rauwelijkse beëindiging van de bijstand op de grond dat de samenwoning bij ongewijzigde omstandigheden voortaan wel als een gezamenlijke huishouding was aan te merken. Onder deze omstandigheden had het dagelijks bestuur aan appellante een redelijke termijn dienen te gunnen om zich in te stellen op de gevolgen van het nieuwe en gewijzigde inzicht van het dagelijks bestuur ten aanzien van de voortzetting van de bijstand en om ter zake, zo nodig of desgewenst, maatregelen te treffen. Door in dit specifieke geval in het geheel geen overbruggingsperiode in acht te nemen heeft het dagelijks bestuur in onvoldoende mate blijk gegeven van een zorgvuldige en evenwichtige besluitvorming jegens appellante. Overbruggingsperiode van drie maanden.

De uitspraak op rechtspraak.nl