CRvB 10 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:122

Ter uitvoering van de tussenuitspraak (ECLI:NL:CRVB:2013:CA1558) heeft het Uwv een aanvullende beslissing op bezwaar ingezonden. De Raad volgt het Uwv niet in zijn overweging dat appellant destijds in staat moest worden geacht om, in opdracht van een andere persoon in zijn omgeving, een aanvraag verkorte wachttijd te (laten) indienen. Immers, uit de voorhanden medische informatie blijkt dat bij appellant weliswaar geen sprake is van wilsonbekwaamheid, maar wel van beperkingen in de wilsuiting ten gevolge van afasie en bovendien van cognitieve beperkingen naast een beperkt ziekte-inzicht. Appellant dient onder toepassing van artikel 23, zesde lid, van de Wet WIA, voor toepassing van de verkorte wachttijd in aanmerking te worden gebracht en dient aan hem na ommekomst van de maximale verkorte wachttijd van 78 weken een IVA-uitkering te worden toegekend.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken