CRvB 25 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1013

Vaststaat dat appellante in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap van haar echtgenoot op 24 augustus 2011 de beschikking heeft gekregen over een bedrag van € 321.943,25, zodat op dat moment sprake is van in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 58, eerste lid, onder f, ten eerste, van de WWB met betrekking tot een periode waarover eerder bijstand is verleend. Anders dan appellante heeft gesteld, staat het enkele feit dat appellante onder testamentair bewind staat de toepassing van dit artikel niet in de weg. Ter zitting is door appellante nader toegelicht dat - conform de wil van de erflater - uit het onder bewind staande vermogen maandelijks een bedrag tussen € 1.500,- en € 2.000,- voor levensonderhoud aan appellante wordt uitgekeerd. Gelet hierop, valt niet in te zien dat de gemaakte kosten van bijstand voor levensonderhoud in de te beoordelen periode redelijkerwijs niet door appellante met medewerking van haar bewindvoerder uit het onder bewind staande vermogen zouden kunnen worden betaald.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde uitspraken