CRvB 15 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA0454
Tussenuitspraak. Zorgindicatie. Kind van 8 jaar met diabetes type 1. 1) Begeleiding. Voor toezicht tijdens activiteiten als het bezoeken van voetbaltrainingen en -wedstrijden, schoolreisjes en feestjes staat op grond van artikel 2, eerste lid, van het Bza een voorliggende voorziening, namelijk de Wet maatschappelijke ondersteuning, aan het indiceren van begeleiding in de weg. Niet gebleken dat het bieden van toezicht aan appellante op andere momenten, bijvoorbeeld als zij ziek is, meer dan incidenteel voorkomt en uitstijgt boven de gebruikelijke zorg van ouders aan kinderen van dezelfde leeftijd als appellante. 2) persoonlijke verzorging. Het berekenen van de benodigde hoeveelheid koolhydraten is onlosmakelijk verbonden met het meten van de bloedsuikerwaarden en toedienen van insuline en kan daarom niet als persoonlijke verzorging worden aangemerkt, maar moet als verpleging worden aangemerkt. 3) Behandeling. Van een noodzaak van behandeling als bedoeld in artikel 8 van het Bza is niet gebleken. 4) Kosten deskundige. Appellante mocht erop vertrouwen dat de deskundige een relevante bijdrage zou leveren aan een gunstige beantwoording door de rechtbank van een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag. In de rapportage heeft de deskundige/arts onder andere uitgebreid onderbouwd waarom de door CIZ gehanteerde tijden voor verpleging in het specifieke geval van appellante onvoldoende zijn. Nu de rechtbank het besluit heeft vernietigd, had de rechtbank een veroordeling in de kosten van de deskundige moeten uitspreken. 5) Verpleging. CIZ heeft ook in het nieuwe besluit van 3 augustus 2011 geen deugdelijke motivering gegeven voor de door haar gehanteerde tijden voor verpleging. Het besluit van 3 augustus 2011 kan niet in stand blijven wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De Raad beschikt over onvoldoende gegevens om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand kunnen blijven of om zelf in de zaak voorzien. Op basis van de gedingstukken kan de Raad thans niet vaststellen wat de omvang van de indicatie voor verpleging is indien daarbij de samenvallende zorgmomenten in aanmerking worden genomen. Gelet op het belang om tot een finale beslechting van het geschil te komen ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet CIZ op te dragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen overeenkomstig hetgeen in deze tussenuitspraak is overwogen.
De uitspraak op rechtspraak.nl