CRvB 19 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9620
Weigering WAO-uitkering toe te kennen aangezien appellant niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest. Dubbel hoger beroep. Omvang geding. De afzonderlijke aanvraag om een WIA-uitkering is niet aan de orde. Het WIA-besluit kan ook niet bij de beoordeling in hoger beroep worden betrokken. Het hoger beroep biedt geen aanknopingspunten de overweging van de rechtbank, waarin in feite de motivering in het bestreden besluit van het door het Uwv ter zake ingenomen standpunt is onderschreven, voor onjuist te houden. In hoger beroep is immers alleen verwezen naar het door betrokkene in bezwaar en beroep voorgedragen standpunt zonder dat dat standpunt wordt ondersteund door overlegging van met betrekking tot de ziekmelding met ingang van 4 december 2003 relevante (medische) gegevens. De Raad tekent daarbij nog aan dat hij het bestreden besluit, voor zover daarin tevens is geoordeeld over de betekenis van de ziekmelding met ingang van 19 februari 2004 voor het doorlopen van de wachttijd op grond van de WAO, mede gelet op het verhandelde ter zitting, aldus begrijpt dat deze ziekmelding niet meebrengt dat sprake is van een samen te tellen wachttijd op grond van artikel 19, tweede lid, van de WAO omdat deze ziekmelding het einde van de daaraan vooraf gaande ziekteperiode met ingang van 4 december 2003, gelet op de werkhervatting op 12 december 2003, met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgde.
De uitspraak op rechtspraak.nl