CRvB 3 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9619

Appellant is ontslag verleend. Het college heeft bij de vaststelling van de hoogte van het dagloon niet betrokken de aan appellant in juni 2008 door het college gedane betalingen in verband met overwerk en niet opgenomen vakantiedagen. Raad: Art. 6:2:3, lid 5 van de CAR/UWO bepaalt dat voor vakantie-uren waarop de ambtenaar aanspraak heeft, maar die met ingang van de dag van ontslag nog niet zijn verleend, een vergoeding wordt gegeven. Dit betekent dat de afrekening hiervan, anders dan appellant heeft gesteld, altijd na het einde van het dienstverband plaatsvindt. Dit betekent dat deze nabetaling niet al vorderbaar was in de referteperiode. Ook de nabetaling van de overwerkvergoeding is niet reeds vorderbaar in de referteperiode. Ingevolge art. 3:2:1, lid 1, 2 en 4 van de CAR/UWO wordt deze uitgekeerd in de vorm van verlof, tenzij dit niet in deze vorm kan worden toegekend. In dat geval wordt een financiële vergoeding gegeven. Eerst na de einddatum van het dienstverband kan hiervan sprake zijn, zodat ook de overwerkvergoeding niet vorderbaar was in de referteperiode.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen