CRvB 25 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9419
Nadat het eerdere ontslagbesluit, gebaseerd op een verondersteld ontslagverzoek van betrokkene, onhoudbaar was gebleken, stond het de korpschef vrij betrokkene alsnog op een andere, wel toereikende, grond ontslag te verlenen. Het aldus herstellen van een gemaakte fout vormt geen misbruik van bevoegdheid, te minder nu de ongeschiktheid als pma tussen partijen vast stond en reeds ten grondslag had gelegen aan de door de korpschef beoogde constructie met een ontslag op verzoek. Evenmin is in te zien dat hier sprake zou zijn van een verboden reformatio in peius. Deze stelling van betrokkene kan reeds hierom niet worden gevolgd, omdat zij door het instellen van rechtsmiddelen en het nadere besluit op geen enkel wezenlijk punt in een onvoordeliger situatie is gebracht dan waarin zij voor het instellen van rechtsmiddelen verkeerde. In beide situaties gold vanaf 1 december 2010 dat zij was ontslagen als pma, dat zij de door haar gewenste nieuwe functie van medewerker informatievoorziening vervulde en naast haar salaris in schaal 6 een toelage ontving tot schaal 7, trede 14.
De uitspraak op rechtspraak.nl