CRvB 23 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8249
Weigering ZW-uitkering. De rechtbank heeft niet onderkend, dat het beroep mede betrekking had op het niet tijdig nemen van een besluit over een ZW-uitkering en zij heeft bij de aangevallen uitspraak dus ook geen beslissing gegeven op dat beroep. Het is juist, dat appellante niet uit hoofde van het verrichten van betaalde arbeid dan wel het ontvangen van een uitkering krachtens de Werkloosheidswet, de ZW, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet Arbeid en Zorg verzekerd was ingevolge de Ziektewet. De door appellante genoten uitkering uit hoofde van de WRHBO leidt niet tot de aanwezigheid van een verplichte verzekering voor de ZW. Appellante is evenmin voor de ZW verzekerd geworden op grond van artikel 2 van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen (Wet van 24 december 1997, houdende het onder de werkingssfeer van de wettelijke werknemersverzekeringen brengen van het overheidspersoneel). Daaraan staat in de weg dat de door appellante bij de ingangsdatum van fase 2 op 1 januari 2001 en ook nog op 1 januari 2008 genoten uitkering ingevolge de WRHBO moet worden aangemerkt als een wachtgeld als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder r, van deze wet. Overschrijding van de redelijke termijn met ruim zeven maanden. Omdat de bezwaarfase drie jaar en acht maanden in beslag heeft genomen en de rechterlijke fase minder dan drie jaar heeft geduurd, komt de overschrijding van de redelijke termijn voor rekening van het Uwv.
De uitspraak op rechtspraak.nl