CRvB 18 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7862
Terugvordering van € 21.678,21 bruto. Raad: Appellant kan niet in zijn standpunt worden gevolgd dat op grond van art. 34 van de Appa voor de vaststelling van het bedrag dat als winst uit onderneming in aanmerking moet worden genomen beslissend is welk bedrag door de belastinginspecteur bij de aangifte inkomstenbelasting als winst uit onderneming is geaccepteerd. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 28 augustus 1997, LJN: ZB7131) dient bij de toepassing van de onderhavige anticumulatiebepalingen in zijn algemeenheid aan de zienswijze van de bevoegde fiscale autoriteiten grote betekenis te worden gehecht, met dien verstande dat daarvan kan worden afgeweken indien voldoende overtuigend wordt aangetoond dat de gegevens die door de fiscale autoriteiten aanvaard zijn niet gevolgd behoren te worden. Dit laatste is naar het oordeel van de Raad hier onmiskenbaar het geval. Zoals door appellant ter zitting is bevestigd, betreft de onderhavige milieu-investeringsaftrek een belastingfaciliteit, waarbij de gedane investering naar eigen keuze en inzicht van de belastingplichtige versneld kan worden afgeschreven. Door die versnelde afschrijving kan de fiscale winst worden verminderd, waardoor over het betreffende jaar minder inkomstenbelasting verschuldigd is en, omdat in latere jaren minder kan worden afgeschreven, het betalen van belasting meer naar de toekomst wordt verschoven. Zelfs indien dat niet door hem zou zijn beoogd, heeft de door appellant gemaakte keuze voor een versnelde afschrijving in een jaar dat hij uitkering geniet, ingeval deze door de minister zou worden aanvaard, het gevolg dat daardoor in dat jaar de verrekening van inkomsten met de uitkering geheel of gedeeltelijk wordt ontweken, zonder dat vaststaat dat die verrekening in de toekomst alsnog zal kunnen plaatsvinden. Uit het door appellant overgelegde overzicht van het verloop van de afschrijvingen blijkt dat appellant over 2006 een fiscale afschrijving heeft gedaan die aanzienlijk hoger is dan het gemiddelde van de afschrijvingen over de jaren tot en met 2005. De Raad is van oordeel dat de minister zich op goede gronden op het standpunt kon stellen dat hier sprake is van een situatie, waarin de door de belastinginspecteur bij de aanslag inkomstenbelasting 2006 aanvaarde gegevens niet volledig behoren te worden gevolgd.
De uitspraak op rechtspraak.nl