CRvB 11 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7299
Appellante is aangesteld als accountant bij de Belastingdienst. Zij is daarbij ingeschaald in de groepsfunctie I, trede 6. Naar aanleiding van het verzoek van appellante heeft de Commissie Gelijke Behandeling geoordeeld dat de staatssecretaris jegens appellante bij de vaststelling van haar aanvangssalaris (de inschaling) verboden onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht en ras. Raad: De Rb. heeft het bestreden besluit terecht beoordeeld met toepassing van art. 4:6 van de Awb. (…) De commissie heeft geoordeeld dat de staatssecretaris er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat dezelfde beloningsmaatstaven - en dan gaat het om de beloningsmaatstaf arbeidsmarktoverwegingen waaronder begrepen het laatstgenoten loon en onderhandelingen - op dezelfde wijze zijn toegepast op appellante en de maatman. De staatssecretaris heeft niet inzichtelijk gemaakt welk systeem of beleid hij bij de toepassing van die maatstaf hanteert. Dat is te meer van belang nu de staatssecretaris dient te voorkomen dat er ongerechtvaardigde verschillen in beloning ontstaan op grond van onderhandelingsvaardigheden. De Raad is met de Rb. en anders dan de commissie van oordeel dat de staatssecretaris wel aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij de inschaling van appellante dezelfde beloningsmaatstaven op dezelfde wijze heeft toegepast op appellante en de maatman. De staatssecretaris is bij de inschaling van zowel appellante als de maatman onder meer uitgegaan van het laatstgenoten salaris, om te bereiken dat de betrokkene er in salaris niet op achteruit zal gaan. Het dossier bevat geen aanknopingspunt om te veronderstellen dat de staatssecretaris dat niet op een voor appellante en de maatman gelijke wijze heeft gedaan. Dat het gevolg van onderhandelingen over het aanvangssalaris en (verschillen in) onderhandelingsvaardigheden kan zijn dat het aanvangssalaris in meerdere of mindere mate afwijkt van het laatstgenoten salaris, hoeft op zich niet te betekenen dat de staatssecretaris de maatstaf arbeidsmarktoverwegingen met daaronder begrepen het aspect onderhandelingen niet gelijk heeft toegepast op appellante en de maatman. Dat is niet anders nu voor de stelling van appellante dat haar is meegedeeld dat er geen mogelijkheid was om over de inschaling te onderhandelen geen enkele ondersteuning is te vinden in de dossierstukken. Dat appellante niet de ruimte heeft genomen om over het aanvangssalaris te onderhandelen, maakt dat evenmin anders. Appellante heeft gesteld dat een aantal van de gebruikte beloningsmaatstaven subjectief is en daarom niet gebruikt had mogen worden. Zoals de Rb. terecht heeft overwogen heeft de staatssecretaris bij de inschaling van zijn ambtenaren een grote beoordelingsvrijheid. Gelet daarop is het aan de staatssecretaris om te bepalen welke beloningsmaatstaven hij wil aanleggen voor de inschaling van zijn ambtenaren, dit uiteraard binnen de grenzen van wet- en regelgeving. Dat sommige beloningsmaatstaven mogelijk enige subjectieve elementen in zich dragen, is niet geheel uit te sluiten. Dat hoeft echter geen probleem te zijn, als ook die beloningsmaatstaven - en dat is in het geval van appellante en de maatman gebeurd - maar gelijkelijk worden toegepast en het subjectieve element als zodanig niet leidt tot wezenlijke verschillen in beloning. Van dat laatste is de Raad niet gebleken. Gelet op het vorenstaande gaat het vervolgens om de vraag of de staatssecretaris er in is geslaagd om aannemelijk te maken dat de gelijke toepassing van dezelfde beloningsmaatstaven op appellante en de maatman het verschil in inschaling verklaart. De Raad is - wederom met de Rb. en anders dan de commissie - van oordeel dat de staatssecretaris dat voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Daarbij moeten de in het geval van appellante bepalende beloningsmaatstaven in onderling verband worden bezien. Gebleken is dat de opleiding van de maatman verder gevorderd was dan die van appellante. Appellante heeft dat niet betwist. Ook beschikte de maatman over meer en volgens de staatssecretaris relevantere werkervaring dan appellante. Uit hetgeen appellante over haar werkervaring heeft gesteld, inhoudende dat zij bij diverse grote(re) bedrijven heeft gewerkt, kan niet worden afgeleid dat haar werkervaring nagenoeg gelijk was aan die van de maatman althans dat de staatssecretaris in de werkervaring van appellante ten opzichte van de maatman onvoldoende onderscheid had mogen vinden om (een deel van) het verschil in salaris te rechtvaardigen. Verder is aannemelijk dat, gelet op het ten tijde van de aanstelling van appellante en de maatman beperkte aanbod van accountants, arbeidsmarktoverwegingen, waaronder het laatstgenoten salaris, een belangrijke rol hebben gespeeld bij de aanstelling en inschaling van appellante en de maatman. Het verbaast tegen die achtergrond dan ook niet dat onderhandelingen tot een hoger salaris konden leiden - en in het geval van de maatman ook daadwerkelijk hebben geleid - dan de staatsecretaris uitgaande van het laatstgenoten salaris voor ogen stond. Er is ook anderszins geen grond voor het oordeel dat appellante met haar inschaling tekort is gedaan. Met de Rb. en de commissie betwijfelt de Raad of de inschaling van de maatman wel geschikt is om als maatstaf te dienen, nu het aanvangssalaris van de maatman niet alleen beduidend hoger is dan dat van appellante, maar ook significant hoger is dan de salarissen van collega’s uit dezelfde functiegroep zoals blijkt uit het in opdracht van de commissie uitgevoerde onderzoek. Daarbij is van belang dat niet is gesteld of gebleken dat voor die collega’s andere beloningsmaatstaven hebben gegolden dan wel dat dezelfde beloningsmaatstaven bij hen niet op dezelfde wijze zijn toegepast als bij appellante. Het heeft er dan ook alle schijn van dat de maatman uitzonderlijk hoog, zo niet te hoog is ingeschaald en dat zijn salarispositie daarom ongeschikt is om een conclusie over de inschaling van appellante op te baseren.
De uitspraak op rechtspraak.nl