CRvB 9 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6146
Betrokkene heeft de Britse nationaliteit. Zij is in 1973 in Nederland komen wonen. Van november 1973 tot en met maart 1977 heeft betrokkene gewerkt bij twee bedrijven in respectievelijk Rotterdam en Zwijndrecht. Vervolgens heeft zij gewerkt bij het Britse Consulaat-Generaal in Rotterdam en sinds 17 november 1980 werkt zij als administratief medewerker bij het Consulaat-Generaal van de VS in Amsterdam. Betrokkene heeft de Svb verzocht haar een overzicht te geven van de, voor de AOW, verzekerde perioden. De Svb stelt zich, uiteindelijk, op het standpunt dat betrokkene verzekerd is geweest in de periode 7 november 1973 tot 18 november 1980. De Svb acht betrokkene over de periode dat zij werkzaam is geweest bij het consulaat van de VS niet verzekerd. Op deze periode is, volgens de Svb, Vo 1408/71niet van toepassing omdat de VS geen lidstaat van de Europese Unie is. De Rb. Amsterdam(LJN: BO7347) heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat betrokkene ook verzekerd was voor de AOW vanaf 18 november 1980. Op grond van de destijds van toepassing zijnde nationale regelgeving was betrokkene niet verzekerd omdat ze niet de Nederlandse nationaliteit had en heeft. Art.3 van Vo 1408/71 schrijft echter voor dat de Britse nationaliteit van betrokkene gelijkgesteld wordt met de Nederlandse nationaliteit. De Rb. verwijst hiervoor onder andere naar het arrest van het Hof van 30 april 1996 inzake Boukhalfa (C-214/94), LJN: BF6658. Verder is de Rb. van oordeel dat aangenomen moet worden dat betrokkene duurzaam in Nederland verblijft. Dat zij een geprivilegieerdenstatus heeft, maakt dat niet anders. De Raad verzoekt het Hof bij wijze van prejudiciële beslissing als bedoeld in art. 267 van het VWEU uitspraak te doen over de volgende vragen: 1. Moeten de artikelen 2 en/of 16 van Vo 1408/71 aldus worden uitgelegd dat een persoon als betrokkene, die onderdaan is van een lidstaat, gebruik heeft gemaakt van haar recht op vrij verkeer van werknemers, op wie de sociale zekerheidswetgeving van Nederland van toepassing is geweest en die vervolgens is gaan werken als lid van het bedienend personeel op het Consulaat-Generaal van de Verenigde Staten van Amerika in Nederland, vanaf de aanvang van die werkzaamheden niet langer onder de personele werkingssfeer van Vo 1408/71 valt? Zo neen: 2a. Moet artikel 3 van Vo 1408/71 en/of artikel 7, tweede lid, van Vo 1612/68, aldus worden uitgelegd dat de toepassing van de geprivilegieerdenstatus op betrokkene, die in dit geval onder andere bestaat uit het niet verplicht verzekerd zijn voor de volksverzekeringen en het niet betalen van premies daarvoor, aangemerkt moet worden als een voldoende rechtvaardiging voor het gemaakte onderscheid naar nationaliteit? 2b. Welke betekenis moet in dit verband toegekend worden aan het feit dat betrokkene in december 1999 desgevraagd heeft gekozen voor de voortzetting van de geprivilegieerdenstatus?
De uitspraak op rechtspraak.nl