CRvB 26 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5622
Werkleeraanbod en inkomensvoorziening. Appellante is meegedeeld dat verlaging van 25% (schoolverlaterskorting) wordt toegepast. Raad: Appellantes opvatting dat zij geen schoolverlater is als bedoeld in art. 33 van de WIJ en art. 6 van de verordening omdat zij haar opleiding heeft afgerond en dus niet voortijdig heeft beëindigd kan niet worden gevolgd. Genoemde bepalingen zien wel degelijk - ook - op personen die een studie of opleiding hebben voltooid. Anders dan appellante veronderstelt, is de ratio van de schoolverlaterskorting niet zo zeer gelegen in de wens voortijdige schooluitval te voorkomen, maar veeleer in de gedachte dat personen die recent het onderwijs of een beroepsopleiding hebben beëindigd voor wat betreft de algemeen noodzakelijke bestaanskosten nog verkeren in een situatie die niet substantieel verschilt van studerenden met studiefinanciering ingevolge de WSF. Appellante heeft voorts aangevoerd dat sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat afwijking van de artt. 33 WIJ en 6 Verordening is gerechtvaardigd. Zij heeft er in dat verband onder meer op gewezen dat zij het nodige heeft gedaan om de periode waarin een beroep op inkomensvoorziening wordt gedaan zo kort mogelijk te houden, dat zij er op eigen initiatief in is geslaagd een baan in het buitenland te verkrijgen, dat haar ten onrechte een voorschot ter overbrugging is onthouden en dat zij geld heeft moeten lenen van haar ouders. Daargelaten of en, zo ja, in hoeverre de WIJ en/of de verordening ruimte laten voor een dergelijke afwijking, acht de Raad de aangevoerde omstandigheden, mede gelet op de relatief korte duur van de in geding zijnde periode, niet zodanig bijzonder dat de schoolverlaterskorting op die grond achterwege zou dienen te worden gelaten. Appellante heeft tot slot betoogd dat het college ten onrechte is teruggekomen van eerdere besluitvorming in de bezwaarfase door de eerder toegepaste korting van 16% wegens ontbrekende woonkosten alsnog te vervangen door de schoolverlaterskorting van 25%. Aan een bestuursorgaan kan niet de bevoegdheid worden ontzegd terug te komen van een eerder genomen besluit. Daarbij mogen de belangen van de betrokkene niet onevenredig worden geschaad. In dit geval is daarvan geen sprake. Van betekenis is dat het college nog vóór het verstrijken van de termijn om tegen het eerdere besluit beroep in te stellen van dat besluit is teruggekomen, dat de bij dat besluit alsnog toegekende inkomensvoorziening ten tijde van het bestreden besluit nog niet betaalbaar was gesteld en dat niet is gesteld of gebleken dat appellante ter zake schade heeft geleden. Aangevallen uitspraak bevestigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl