CRvB 22 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2124
Bij besluit van 4 september 2010 heeft appellant betrokkene meegedeeld dat, zoals betrokkene heeft verzocht, het weekendabonnement vanaf 2 september 2010 is omgezet in een weekabonnement. Op 25 oktober 2010 is het reisrecht van betrokkene geëindigd. Betrokkene heeft appellant, met een op 24 september 2010 door appellant ontvangen formulier, schadevergoeding gevraagd wegens het niet op tijd kunnen activeren van het weekabonnement, omdat dit abonnement op de twaalfde werkdag na haar verzoek nog niet klaarstond in de ophaalautomaat. Appellant heeft dit verzoek afgewezen. Raad: De vraag is aan de orde wat wordt verstaan onder ‘door toedoen van Onze Minister’ in art. 3.29, lid 1 van de Wsf 2000. Uit de wetsgeschiedenis bij de Wet van 19 november 2009 tot wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 in verband met de invoering van de OV-chipkaart (Stb. 2009, nr. 529), in het bijzonder de MvT, de Nota naar aanleiding van het verslag, ontvangen 2 oktober 2009 en de Brief van de staatssecretaris van onderwijs, cultuur en wetenschap van 11 augustus 2010 (TK 2008-2009, 31 981, nr. 3, 31 981, nr. 6, 31 981, nr. 10), valt af te leiden dat appellant volgens de formele wetgever verantwoordelijk is voor de toekenning van het reisrecht, de registratie van de keuze voor een week- of weekendreisrecht en het doorgeven van het toegekende soort reisrecht aan de RSR, zijnde de uitvoeringsorganisatie van de vervoerbedrijven voor het studentenreisrecht. De vervoerbedrijven zijn volgens de formele wetgever verantwoordelijk voor het (kunnen) activeren (en deactiveren) van het reisrecht op de OV-chipkaart van de studerende. Deze taken worden namens de vervoerbedrijven uitgevoerd door de RSR. De RSR is een zelfstandige rechtspersoon die in opdracht van de vervoerbedrijven de digitale administratie van het studentenreisrecht doet. RSR wordt voorts gefinancierd uit de bijdrage van de bij de RSR aangesloten vervoerders. Appellant noch de minister van Verkeer en Waterstaat heeft zeggenschap over deze organisatie. De tekst van art. 3.29 Wsf 2000 en de daarbij behorende wetsgeschiedenis leidt tot het oordeel dat de wetgever de schadevergoedingsplicht van appellant in art. 3.29 van de Wsf 2000 heeft willen beperken tot het door appellant niet tijdig toekennen van een gevraagd reisrecht dan wel het door appellant niet tijdig doorgeven van het toegekende reisrecht, via de RSR, aan de vervoerbedrijven. Toedoen van appellant in art. 3.29, lid 1 van de Wsf 2000 ziet op de hem toebedeelde taak bij het studentenreisrecht en op wat in dat verband in zijn directe invloedsfeer ligt. Nu appellant bij besluit van 4 september 2010 op de aanvraag van betrokkene van 1 september 2010 om te wisselen van abonnement heeft beslist en appellant aan de RSR op 1 september 2010 heeft doorgegeven dat betrokkene vanaf 2 september 2010 een reisrecht toekomt in de vorm van een weekabonnement, is niet voldaan aan de in art. 3.29, lid 1 van de Wsf 2000 gestelde voorwaarde voor toekenning van schadevergoeding ‘door toedoen van Onze Minister’. Appellant is daarom, nog los van het antwoord op de vraag of betrokkene in de aan de orde zijnde periode zoals zij stelt niet over te activeren reisrecht heeft beschikt, niet op grond van art. 3.29, lid 1 van de Wsf 2000 jegens betrokkene schadeplichtig. Anders dan de Rb. heeft geoordeeld vloeit uit de tekst, die ten tijde van de aanvraag om schadevergoeding op de website van appellant stond, geen gehoudenheid van appellant voort tot toekenning van schadevergoeding. De informatie op de website is niet zodanig dat daaruit het gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend dat, indien na wisseling van abonnement het nieuwe abonnement niet tijdig klaar staat in de ophaalautomaat, er, met voorbij zien aan de vraag door wie dit is veroorzaakt, recht op schadevergoeding van appellant bestaat. Zo er al sprake zou zijn van opgewekt vertrouwen dan zou dit er niet toe leiden dat appellant in afwijking van art.3.29, lid 1 van de Wsf 2000 gehouden zou zijn tot toekenning van schadevergoeding over te gaan nu betrokkene niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het niet aan haar te wijten is dat zij in de aan de orde zijnde periode niet over een te activeren reisrecht heeft beschikt. Aangevallen uitspraak vernietigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl