CRvB 21 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1889

Weigering mobiliteitstoeslag. Terecht is door de rechtbank geconcludeerd dat het vertrek van appellant een onmiskenbaar dienstbelang heeft gediend. Dat de ruil op basis van vrijwilligheid heeft plaatsgevonden en daarmee gedwongen overplaatsingen heeft voorkómen, kan daaraan niet afdoen. De Raad volgt de rechtbank ook in haar oordeel dat het gegeven dat dit dienstbelang niet zo zeer is gelegen bij het kantoor waarnaar appellant is overgeplaatst, maar eerst en vooral bij het kantoor waarvandaan appellant is vertrokken, geen beletsel behoorde te vormen voor toekenning van de toeslag. Juist in geval van geografische mobiliteit zoals hier aan de orde, ligt in beginsel een bredere blik dan alleen die op de nieuwe werkplek voor de hand en moet het belang van de organisatie als geheel in beschouwing worden genomen. Dat belang is in dit geval gediend. Dat het ontvangende kantoor de kosten van een eventuele toeslag heeft te dragen, maakt een en ander niet anders. In dit geval is geen sprake van het opdragen van een andere functie als bedoeld in artikel 22c van het BBRA, maar van geografische mobiliteit. Blijkens punt 3, tweede gedachtestreepje, van onderdeel 1.9.2 van het RVPB moet het dienstbelang in zo’n geval in die geografische mobiliteit zijn gelegen. Aan die voorwaarde is in dit geval voldaan.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen