CRvB 20 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1797
In verband met onwerkbaar weer door vorst en sneeuw in de maand december van 2010 hebben appellanten ieder afzonderlijk een aanvraag ingediend om een uitkering op grond van art. 18 WW. Het Uwv heeft de aanvragen afgewezen onder de overweging dat appellanten niet werkloos waren op grond van art. 16 WW. In hoger beroep hebben appellanten gesteld dat de werkgeefster zich niet kan aansluiten bij een cao. Werkgevers die wel waren aangesloten ontvingen bij onwerkbaar weer direct WW-uitkeringen voor hun werknemers zodat sprake is van oneerlijke concurrentie. Raad: Door appellanten is erkend dat op de werkgeefster over de periode in geding een loondoorbetalingsverplichting rustte. De werkgeefster heeft het loon ook daadwerkelijk doorbetaald. Om die reden is geen werkloosheid ontstaan in de betreffende periode zodat een uitkering op grond van art. 18 WW evenmin aan de orde is. Aan het feit dat voor appellanten premie is betaald ontlenen zij niet een recht op een WW-uitkering indien niet aan alle daartoe gestelde wettelijke vereisten is voldaan. Dat sprake is van oneerlijke concurrentie - wat daar verder van zij - geeft niet de mogelijkheid om van art. 16 WW af te wijken. Voor een aantal sectoren hanteerde het Uwv een beleid ten aanzien van het recht op uitkering wegens buitengewone weersomstandigheden. Dit beleid is met ingang van 1 april 2009 ingetrokken bij het Besluit intrekking UWV-beleid inzake het recht op uitkering bij werkloosheid vanwege vorst en andere buitengewone natuurlijke omstandigheden in bepaalde sectoren (Stcrt. 15 juli 2008, nr. 134, pag. 21). De overgangsregeling in dat besluit voorzag in een handhaving van het beleid in de winterperiode 2008/2009. Nog daargelaten of het beleid ook de sector bestreek waarin appellanten werkzaam waren, kunnen zij ten aanzien van de periode in geding - december 2010 - daarom geen aanspraken aan dat beleid ontlenen.
De uitspraak op rechtspraak.nl