CRvB 19 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1584
Afwijzing aanvraag om bijstand. Gezamenlijk hoofdverblijf. Uitgaan van registratie als fiscale partners. Reden gecorrigeerde fiscale aanslag. Appellant heeft bijstand ingevolge de WWB aangevraagd. Appellant heeft meegedeeld dat op zijn woonadres tevens woonachtig is R., een goede vriend, van wie hij de woonruimte huurt. Ter toelichting heeft appellant nog vermeld dat R. en hij in 2008 gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid van fiscaal partnerschap omdat dat voordelig uitkwam. Het college heeft de aanvraag afgewezen, omdat appellant met R. een gezamenlijke huishouding voert, aangezien zij hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij in de periode van twee jaar voorafgaand aan de aanvraag om bijstand op grond van een registratie (als fiscale partners) als een gezamenlijke huishouding worden aangemerkt. Daarbij heeft het college verwezen naar art. 3, lid 4, aanhef en onder d, WWB en art. 3, lid 5 WWB. In beroep heeft appellant in de eerste plaats een brief van hem en R. aan de Belastingdienst overgelegd, waarin zij opmerken, onder verwijzing naar voorlopige belastingaanslagen die zijn gebaseerd op aangiftes waarin van fiscaal partnerschap van appellant en R. is uitgegaan, dat dit waarschijnlijk ten onrechte is geschied. Tevens heeft hij overgelegd het antwoord van de inspecteur van de Belastingdienst (inspecteur) op die brief, waarbij de inspecteur aan R. heeft meegedeeld dat bij de definitieve aanslagregeling 2008 geen rekening zal worden gehouden met fiscaal partnerschap. Raad: In zijn bezwaarschrift heeft appellant opgemerkt dat toepassing van het fiscaal partnerschap aantrekkelijk was, omdat hij over 2008 nog een grote schuld ten opzichte van derden had uitstaan, dat het fiscaal partnerschap met R. ongeveer € 420,-- extra fiscaal voordeel heeft opgeleverd - dat geheel aan appellant ten goede is gekomen - en dat, als hij had geweten dat het fiscaal partnerschap de consequentie zou hebben dat hij het recht op bijstand zou verspelen, hij en R. daarvan natuurlijk geen gebruik hadden gemaakt. Hier doet zich een van de situaties voor die in het kader van de totstandkoming van de hier aan de orde zijnde wettelijke bepalingen zijn omschreven, te weten die waarin de betrokkenen handelen al naar gelang het te behalen financiële voordeel. Het college en de Rb. hebben het voorliggende geschil daarom terecht mede in het licht van de wetsgeschiedenis bezien en daarbij vastgesteld dat geen sprake is geweest van een administratieve fout die rechtvaardigt dat voor het jaar 2008 niet van een registratie dient te worden uitgegaan. De registratie van appellant en R. als fiscale partners op basis van hun aangiften inkomstenbelasting over 2008 heeft plaatsgevonden overeenkomstig hun bedoelingen destijds. Appellant heeft zich ter ondersteuning van zijn standpunt beroepen op de uitspraak van de Raad van 22 december 2009, LJN: BK8378. Anders dan wellicht uit die uitspraak zou kunnen worden afgeleid, is het enkele feit dat de Belastingdienst naderhand tot een gecorrigeerde aanslag is gekomen niet voldoende om niet uit te gaan van een registratie op grond van de Wet inkomstenbelasting 2001 in de zin van art. 3 van het Besluit. Daarbij zijn ook de redenen van de correctie van belang. In de thans voorliggende zaak zijn op enig moment, ten tijde van de voorlopige aanslag, rechtsgevolgen verbonden aan het bestaan van een gezamenlijke huishouding en is naderhand niet komen vast te staan dat sprake is geweest van een fout van de inspecteur. De wijziging in het standpunt van de inspecteur is uitsluitend het gevolg van de nadien gewijzigde presentatie door appellant en R. van de situatie waaronder zij samen op hetzelfde adres woonden. Het risico dat appellant en R. ook voor de toepassing van de WWB als partners zouden worden aangemerkt, is het gevolg van de opstelling van appellant en dient voor zijn rekening te blijven.
De uitspraak op rechtspraak.nl