CRvB 25 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1164

Dubbel hoger beroep. Tussenuitspraak. De Raad bepaalt - evenals de rechtbank ’s-Gravenhage eerder deed - dat de Minister van Defensie in deze zaak niet voldeed aan de op hem als werkgever rustende zorgplicht. Daarom is de minister ook verantwoordelijk voor door de Dutchbat III-militair (“Dutchbatter”) geleden schade. De Raad vindt dat de minister bij beëindiging van de missie in Zagreb en daarna niet genoeg nazorg aanbood. Daardoor kreeg de PTSS bij de militair een blijvend karakter. De minister moet binnen drie maanden een nieuw besluit nemen. De Raad zal nadat de minister dat nieuwe besluit heeft genomen daarover een oordeel geven en einduitspraak doen. De Raad is het niet met de rechtbank, maar wel met de minister eens dat bij de feitelijke uitvoering van de missie Dutchbat III de zorgplicht voldoende was. De Raad wijst er daarbij op dat - de militair voldoende opgeleid en getraind was om een militaire missie uit te voeren; - niet is gebleken dat het materieel in het begin van Dutchbat III niet voldeed aan de noodzakelijke technische eisen; - de minister niet verantwoordelijk is voor de oorlogsomstandigheden ter plaatse. De Raad is ook van oordeel dat de zorgplicht niet mag worden beoordeeld aan de hand van onder oorlogsomstandigheden genomen operationele beslissingen. De aard van het militaire bedrijf verzet zich daartegen (zie ook LJN AN8521).`

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen