CRvB 6 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ0672

Appellant is meegedeeld dat hij geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij geschikt wordt geacht voor zijn arbeid. Appellant is onder verwijzing naar art. 19, lid 5 ZW van oordeel dat het Uwv is uitgegaan van een onjuiste maatstaf arbeid. Raad: Onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis, MvT:TK 2006-2007, 30 909, nr. 3, overweegt de Raad het volgende. Het vijfde lid van art. 19 van de ZW is geschreven met het doel om voor vangnetters zonder werkgever het begrip zijn arbeid te verruimen door, in het geval sprake is van bijzondere aspecten van het werk welke een werkhervatting in de weg staan, deze buiten beschouwing te laten. Gelet op dit doel dienen alleen bijzondere verzwarende aspecten van het laatst verrichte werk buiten beschouwing gelaten te worden. Bijzondere verlichtende aspecten dienen niet buiten beschouwing gelaten te worden. Gelet op de toetsing aan vergelijkbare functies bij een andere werkgever zijn bij de beoordeling van de ongeschiktheid tot werken dus terecht de door appellant bedoelde verzwarende aspecten van zijn arbeid buiten beschouwing gelaten. Dat het Uwv - zonder daartoe ingevolge art. 19, lid 5 van de ZW verplicht te zijn - in het geval van appellant ook verlichtende aspecten buiten beschouwing heeft gelaten strekt niet ten nadele van appellant.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen