CRvB 24 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9361
Het college heeft appellant met onmiddellijke ingang de disciplinaire straf van ontslag opgelegd.Appellant is hierbij als plichtsverzuim ten laste gelegd dat hij meerdere malen het GBA-systeem en het SUWI-systeem voor niet zakelijke doeleinden heeft geraadpleegd; voorts heeft appellant ten onrechte geen toestemming gevraagd voor een nevenactiviteit (bedrijf). Raad: Naar het oordeel van de Raad valt niet in te zien dat de door het college geschetste feiten en omstandigheden concrete aanwijzingen opleverden voor een vermoeden van een integriteitschending waar het gaat om het gebruik door appellant van het GBA-systeem en het SUWI-systeem. Gelet hierop moet worden vastgesteld dat het Protocolintegriteitonderzoeken gemeente Amsterdam, kennelijk een beleidsregel, geen ruimte bood voor het vanwege het college uitgevoerde onderzoek. Opgemerkt moet echter worden dat volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 22 januari 2004, LJN AO3220, en CRvB 13 maart 2008, LJN BC7462 en TAR 2008, 122) het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs slechts dan niet is toegestaan indien het is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Van dit laatste is in dit geval geen sprake. Daarbij wordt erop gewezen dat zonder een (vrij) strakke regeling als opgenomen in het Protocol het bijvoorbeeld steekproefsgewijze controleren van het gebruik van de gemeentelijke systemen door de medewerkers bezwaarlijk als ongeoorloofd zou zijn te beschouwen. I.c. is gebleken dat appellant twaalf keer de GBA en twee keer het SUWI-net voor niet zakelijke doeleinden heeft geraadpleegd waarvan zeven keren in 2009. Appellant heeft deze raadplegingen niet betwist. (…) De verwijzing van appellant naar de cultuur binnen zijn afdeling, hieruit bestaande dat wel vaker niet-zakelijke raadplegingen worden gedaan, kan hem niet baten. In de eerste plaats niet, omdat appellant te allen tijde een eigen verantwoordelijkheid bezit met betrekking tot het omgaan met vertrouwelijke gegevens. Zijn handelen is ook niet verenigbaar met door hem ondertekende geheimhoudingsverklaringen. In de tweede plaats niet, omdat van het bestaan van die cultuur niet is gebleken. Integendeel, de gedingstukken, waaronder berichten op intranet, wijzen erop dat van hogerhand nadrukkelijk is aangegeven dat - op straffe van disciplinaire maatregelen - zorgvuldig moest worden omgegaan met persoonsgegevens uit bedoelde systemen. De Raad acht de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag gezien de aard en ernst van de hiervoor besproken gedragingen in het licht van de terecht gestelde eisen van betrouwbaarheid en integriteit van medewerkers van de afdeling, niet onevenredig aan het plichtsverzuim. Evenals het college acht de Raad alleen al deze gedragingen voldoende om het ontslag te schragen zodat een bespreking van niet opgegeven nevenactiviteiten achterwege kan blijven.
De uitspraak op rechtspraak.nl