CRvB 17 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY8778
Tussenuitspraak. Weigering een inhoudelijke beslissing te nemen op het verzoek om nabetaling van te veel gewerkte uren, in het kader van de in art. 6 van de richtlijn 93/104/EG bepaalde gemiddelde maximale wekelijkse arbeidstijd en het arrest van het Hof van Justitie C-151/02, waarin bepaald is dat beschikbaarheidsdienst volledig als arbeidstijd moet worden beschouwd. Het dagelijks bestuur heeft geen fatale termijn gesteld. De aanvraag kan niet buiten behandeling worden gelaten omdat appellant geen bezwaar heeft gemaakt tegen de betalingen van de bezoldiging na 31 mei 2004. Het bestreden besluit houdt geen stand en de Raad draagt het dagelijks bestuur op het gebrek in het besluit te herstellen door een inhoudelijke beslissing te nemen. Wat de periode van 1 juni 1999 tot en met 31 mei 2004, de datum van indiening van het verzoek, staat het het dagelijks bestuur vrij analoge toepassing te geven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Wat de periode van 1 juni 2004 tot 1 juni 2006 betreft, moet worden vastgesteld dat appellant volgens de rechtstreeks werkende Richtlijn die toen geïmplementeerd had moeten zijn, gemiddeld maximaal 48 uren per week mocht werken, inclusief wachturen en slaapuren. LOGA-akkoord. Niet gezegd dat de in die periode te veel gemaakte arbeidsuren op gelijke wijze moeten worden vergoed als voor de periode vanaf 1 juni 2006 tot en met 31 december 2006 in het LOGA-akkoord is overeengekomen. Wel zou kunnen worden gedacht aan een vergoeding die overeenkomt met zes keer 75% van het uurloon. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de procedure bij de rechtbank, valt buiten de omvang van het geding.
De uitspraak op rechtspraak.nl