CRvB 4 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2791
Terugvordering. De Raad acht het alleszins begrijpelijk dat, gelet op de gezondheidstoestand van moeder en die van de oudste zoon die bij moeder woonde, het maken van zorgovereenkomsten met particulieren geen prioriteit had, maar deze omstandigheid kan er niet toe leiden dat voorbij wordt gegaan aan de wettelijke eis dat de rechtmatigheid van de besteding van het toegekende pgb objectief moet kunnen worden gecontroleerd. Dat is in dit geval niet mogelijk. Appellanten hadden ervoor kunnen kiezen om de administratieve verantwoording van het pgb uit te besteden aan een derde. Het is voorts betreurenswaardig dat het Zorgkantoor de betalingen heeft voortgezet nadat melding was gemaakt van het overlijden van moeder, maar ook deze omstandigheid maakt niet dat geoordeeld moet worden dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid tot de in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde belangenafweging heeft kunnen komen.
De uitspraak op rechtspraak.nl