CRvB 28 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2608

1) Plaatsing en benoeming. Van overtolligheid als bedoeld in artikel 49e van het ARAR en artikel 1.14.4.1 van het RPVB was geen sprake, nu betrokkene zijn eigen functie van medewerker [naam functie] bij de FIOD kon blijven uitoefenen in [plaatsnaam 2]. Nadat betrokkene het aanbod van de Staatssecretaris had afgewezen om zijn functie, met toekenning van reistijdcompensatie en gebruik van een dienstauto, in [plaatsnaam 2] voort te zetten, heeft de Staatssecretaris betrokkene een functie toebedeeld in zijn eigen standplaats [plaatsnaam 1] bij de Belastingdienst in dezelfde Groepsfunctie F als zijn oude functie. Betrokkene was op grond van artikel 57, tweede lid, aanhef en onder a, van het ARAR verplicht deze passende functie te aanvaarden. Individuele ambtenaren ontlenen hun rechtspositionele aanspraken niet aan een arbeidsvoorwaardenakkoord, maar aan ter bepaling van hun rechtspositie gegeven algemeen verbindende voorschriften. 2) Faciliteiten. Nu betrokkene als gevolg van het plaatsingsbesluit en het benoemingsbesluit niet meer beschikte over de status van aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder g, van het Besluit sociaal flankerend beleid sector Rijk 2008-2012, bestond ten tijde van bestreden besluit 2 geen grond voor toekenning van de aan deze status verbonden faciliteiten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken