CRvB 2 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1928

Bij een viertal besluiten heeft appellant de WW-uitkering van betrokkene over meerdere perioden herzien vanwege teveel genoten vakantiedagen en het verrichten van werkzaamheden. Appellant heeft de volgens hem teveel betaalde WW-uitkering van betrokkene teruggevorderd. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit deels vernietigd. De rechtbank heeft het bestreden besluit in zoverre herroepen en zij heeft de boete vastgesteld op 10% van het terugvorderingsbedrag over de nog resterende perioden. Hiertoe heeft de rechtbank kort gezegd geoordeeld dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene niet beschikbaar is geweest voor de arbeidsmarkt. Het hoger beroep is beperkt tot de vraag of betrokkene in de periode van 1 maart 2010 tot en met 3 oktober 2010 beschikbaar was om arbeid te aanvaarden als bedoeld in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW. Niet is komen vast te staan dat betrokkene niet beschikbaar was om arbeid te verrichten.

De uitspraak op rechtspraak.nl