CRvB 2 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1924

Tussenuitspraak. Appellant heeft het Uwv verzocht om met toepassing van Hoofdstuk IV van de WW de betalingsverplichtingen van werkgeefster over te nemen. Dat verzoek heeft het Uwv bij besluit afgewezen. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 62, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW, zodat appellant geen recht heeft op een uitkering op grond van Hoofdstuk IV van de WW. Gelet op de pogingen werkgeefster er toe te brengen de vorderingen alsnog te voldoen is hier sprake van een tijdige, voldoende voortvarende en gerichte actie van appellant. Het is dan ook aannemelijk dat de achterstallige loonbetalingen uitsluitend wegens het bestaan van betalingsonmacht van werkgeefster niet geldend gemaakt konden worden. Hieruit volgt dat het Uwv ten onrechte heeft bepaald dat appellant geen recht heeft op een uitkering op grond van Hoofdstuk IV van de WW. Dat betekent dat het Uwv alsnog zal moeten vaststellen wat de omvang van het recht van appellant op grond van artikel 64, eerste lid, van de WW in verband met de geëindigde dienstbetrekking met werkgeefster is.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen