CRvB 2 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1921

Na afloop van zijn werkzaamheden heeft appellant bij het Uwv een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de WW. Bij besluit is deze aanvraag afgewezen. Volgens het Uwv kon appellant niet als werknemer voor de WW worden beschouwd omdat er geen gezagsverhouding bestond. Daarbij is in aanmerking genomen dat de echtgenote van appellant enig aandeelhouder is van de holding, welke vennootschap alle aandelen van de BV bezit. In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of appellant kan worden aangemerkt als werknemer in de zin van artikel 3, eerste lid, van de WW. Gelet op deze bepaling is vereist dat appellant tot de BV in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan. Deze vraag moet ontkennend worden beantwoord. In het geval van appellant is geen sprake geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 3, eerste lid, van de WW.

De uitspraak op rechtspraak.nl