CRvB 25 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1844
Bij besluit heeft appellant vastgesteld dat voor betrokkene geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet WIA in verband met het niet vervuld hebben van de wachttijd van 104 weken, nu betrokkene voor het einde van de wachttijd hersteld is verklaard. De Raad stelt vast dat appellant er, noch bij het nemen van het primaire besluit , noch bij het nemen van het bestreden besluit blijk van heeft gegeven andere gegevens in de beoordeling betrokken te hebben dan de hersteldverklaring in het kader van de ZW. Pas in hoger beroep heeft appellant zich de vraag gesteld of na 4 december 2009 sprake is geweest van het opnieuw intreden van arbeidsongeschiktheid, in welk geval de wachttijd, na een onderbreking, zou kunnen zijn vervuld. De beoordeling die aan het bestreden besluit vooraf is gegaan is dus onvolledig en daarmee onzorgvuldig geweest. De Raad ziet aanleiding om, anders dan de rechtbank, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.