CRvB 17 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1794
Tussenuitspraak. Bij besluit heeft het dagelijks bestuur geweigerd appellante een werkleeraanbod ingevolge de WIJ te doen en tevens geweigerd aan haar een inkomensvoorziening op grond van de WIJ toe te kennen op de grond dat appellante op basis van haar verblijfsrechtelijke positie geen rechthebbende is als bedoeld in artikel 2 van de WIJ. In geschil is of appellante in de hier te beoordelen periode rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8, onderdeel e, van de Vw 2000, in welk geval het dagelijks bestuur haar als rechthebbende in de zin van artikel 2, tweede lid, van de WIJ had moeten aanmerken en het bestreden besluit voor zover de WIJ betreft op een onjuiste wettelijke grondslag berust. Zolang door de staatssecretaris geen besluit is genomen over de beëindiging van het verblijfsrecht van appellante dient van een rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000 te worden uitgegaan. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor zover het betreft de WIJ, ten onrechte in stand gelaten op de grond dat de onderzoeksplicht van het dagelijks bestuur niet verdergaat dan het verifiëren van de GBA-code bij de IND. De Raad kan niet zelf bepalen of appellante daadwerkelijk in aanmerking komt voor een inkomensvoorziening ingevolge de WIJ. Hiervoor is nader onderzoek van het dagelijks bestuur nodig. Zij krijgen zes weken de tijd om dit uit te zoeken.
De uitspraak op rechtspraak.nl