CRvB 28 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1576

Het Uwv heeft met ingang van 11 april 2011 voor vier maanden het bedrag van de WW-uitkering van appellant met 25% verlaagd op de grond dat appellant in de periode van 3 januari 2011 tot en met 3 april 2011 onvoldoende heeft gesolliciteerd. Het oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken dat appellant ter zake geen enkel verwijt kan worden gemaakt, wordt onderschreven. De rechtbank heeft er terecht op gewezen dat het verrichten van open sollicitaties en het inschrijven bij uitzendbureaus ook gelden als sollicitatieactiviteit, waarvan niet kan worden gezegd dat deze bij voorbaat kansloos en dus zinloos zijn. Het Uwv was dan ook gehouden om appellant een maatregel op te leggen. Ten aanzien van de zwaarte van de maatregel zijn partijen het ter zitting van de Raad over eens geworden dat in het geval van appellant sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Gelet hierop kan de door het Uwv opgelegde standaardverlaging van 25% van het uitkeringsbedrag gedurende vier maanden niet in stand blijven.

De uitspraak op rechtspraak.nl