CRvB 23 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1095
Tussenuitspraak. Het Uwv heeft aan appellant ten onrechte WW-uitkering geweigerd op de grond dat aan zijn werkloosheid een arbeidsrechtelijke dringende reden ten grondslag ligt. Van verwijtbare werkloosheid in de zin van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW is geen sprake. De Raad kan niet zelf in de zaak voorzien omdat voor de bepaling van het recht op WW-uitkering van appellant met ingang van 7 april 2009 diverse gegevens nodig zijn waarover de Raad niet beschikt. Hij kan thans slechts vaststellen dat appellant als gevolg van de door de kantonrechter toegewezen loonvordering niet eerder dan met ingang van 24 april 2009 werkloos kan zijn geworden in de zin van artikel 16, eerste lid, van de WW. Gegevens ten behoeve van de bepaling van de duur en de hoogte van de uitkering zijn niet voorhanden. Nieuwe beslissing op bezwaar.
De uitspraak op rechtspraak.nl