CRvB 5 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1053
Herziening en terugvordering WAO-uitkering. Niet kan worden geoordeeld dat het in 5.3 bedoelde beleid niet consistent is toegepast. Het kon appellante, zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, immers redelijkerwijs duidelijk zijn dat zij teveel WAO-uitkering ontving. Appellante, die sinds februari 1982 een WAO-uitkering ontvangt, wordt geacht te weten dat de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling het resultaat is van een verzekeringsgeneeskundige en een arbeidskundige beoordeling. Ook wordt appellante geacht te weten dat ze aan het Uwv had dienen te melden dat ze samen met haar echtgenoot een horeca-onderneming was begonnen. Uit de zich in het dossier bevindende rapportages van verzekeringsartsen van het Uwv blijkt niet dat appellante van haar werkzaamheden melding heeft gemaakt, nog afgezien van het antwoord op de vraag of de enkele melding van werkzaamheden bij de verzekeringsarts zou volstaan, om aan te nemen dat is voldaan aan de op grond van artikel 80 van de WAO op appellante resterende inlichtingenplicht. Het Uwv heeft de aflossingscapaciteit van appellante op een juist bedrag vastgesteld en hierbij ook de terugbetalingsverplichting aan het Uwv die rust op haar echtgenoot betrokken.
De uitspraak op rechtspraak.nl