CRvB 13 december 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY6072
1) Ontslag wegens ziekte. De enkele stelling, dat het ontslag met enige vorm van financiële compensatie gepaard had moeten gaan, kan niet leiden tot het oordeel dat het ontslagbesluit geen stand kan houden. 2) Een brief van een verzekeringsmaatschappij is geen besluit in de zin van art. 1:3 Awb. Bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. 3) Weigering schadevergoeding. In rechte onaantastbaar geworden. 4) Besluit 4 is op te vatten als een weigering om van het kortingsbesluit terug te komen. Geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. 5) Weigering toepassing te geven aan artikel 9.6.4 van de CAO-AZ. Appellant heeft geen feiten of omstandigheden aangedragen op grond waarvan hij meent voor toepassing van de genoemde bepaling in aanmerking te moeten komen. 6) Besluit 6. Weigering aanvulling op WAO-uitkering wegens beroepsziekte. (art. 8.8.3 van de CAO-AZ). De door de rechtbank geraadpleegde deskundige, de neuroloog J.C. den Heijer, heeft geen adstructie kunnen vinden voor de aanname van een verband tussen de werkzaamheden van appellant als thoraxchirurg en het ontstaan van de cervicale hernia. In hoger beroep heeft appellant vervolgens, ter betwisting van de bevindingen van Den Heijer, een rapportage van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB) overgelegd. Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd kan geen reden kan vormen om het op de bevindingen van neuroloog Den Heijer gebaseerde oordeel van de rechtbank, inhoudende dat van een verband tussen de ziekte van appellant en de door hem verrichte werkzaamheden niet is gebleken, voor onjuist te houden. Opgemerkt wordt daarbij dat de rapportages van Den Heijer op zichzelf beschouwd als toereikend gemotiveerd en voldoende inzichtelijk zijn te beschouwen. Gelet op al het voorgaande is appellant er met het door hem geëntameerde tegenonderzoek in onvoldoende mate in geslaagd om gerede twijfel op te roepen aan de juistheid van de door Den Heijer getrokken conclusie. Appellant kan dus niet worden gevolgd in zijn standpunt dat zijn arbeidsongeschiktheid moet worden geacht het gevolg te zijn van een beroepsziekte. Nu geen sprake is van een beroepsziekte, kan niet worden gezegd dat de schade die het gevolg is van de ziekte van appellant, is geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Overschrijding redelijke termijn.
De uitspraak op rechtspraak.nl