CRvB 8 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY2769

Weigering toekenning nabestaandenuitkering. Raad: In geschil is nog of de Rb. terecht heeft geoordeeld dat het namens appellante gesignaleerde onderscheid in behandeling tussen nabestaanden uit een niet-huwelijkse relatie van wie de levenspartner vóór, en van wie die partner na 1 juli 1996 is overleden, niet onverenigbaar is met diverse discriminatieverboden. In vaste jurisprudentie (LJN ZB8192) is geoordeeld dat dit stelsel inderdaad een onderscheid teweeg brengt tussen nabestaanden uit een niet-huwelijkse relatie van wie de levenspartner vóór, en van wie die partner na 1 juli 1996 is overleden. In dit onderscheid is echter geen onverenigbaarheid gezien met enige rechtstreeks inroepbare rechtsnorm waardoor gehoudenheid zou bestaan dit onderscheid geheel of ten dele ongedaan te maken. Daartoe is overwogen dat discriminatieverboden, als bijvoorbeeld neergelegd in art. 26 IVBPR, niet beogen bescherming te bieden tegen nadelen (of tegen het onthouden van voordelen) waarvan het al dan niet optreden wordt bepaald door het aan wetswijziging inherente tijdsaspect. Evenmin bestaat er in algemene zin een (afdwingbare) rechtsplicht voor de wetgever die bij wijziging of herziening, dan wel het tot stand brengen, van een regeling aan bepaalde feiten rechtsgevolgen verbindt waarin voorheen niet was voorzien, voor die oude gevallen overeenkomstige rechtsgevolgen in het leven te roepen. Dit oordeel is onderschreven door het Comité voor de Rechten van de Mens als bedoeld in art. 28 van het IVBPR. In de inzichten van dit Comité van 1 april 2004 in zaak nummer 976/2001, die betrekking hadden op een identieke situatie, is geoordeeld dat Nederland door de invoering van de ANW per 1 juli 1996 heeft voorzien in een gelijke behandeling van gehuwden en ongehuwd samenwonenden ten behoeve van de uitkeringen aan nabestaanden. Gelet op het feit dat het in de praktijk maken van onderscheid tussen gehuwde en ongehuwde paren in het verleden geen verboden discriminatie vormde, was het Comité van mening dat Nederland niet verplicht was de wijziging terugwerkende kracht te verlenen. Het Comité achtte het toepassen van de ANW op alleen nieuwe gevallen niet in strijd met art. 26 van het IVBPR.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen