CRvB 31 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY1787
Uit een onderzoek van de Nationale ombudsman naar de handhaving door het Uwv in het project ‘Samenloop zelfstandigenaftrek en WW-uitkering’ is gebleken dat in een aantal gevallen de informatievoorziening aan zelfstandigen gebrekkig of onjuist is geweest. Op instigatie van de Tweede Kamer der Staten-Generaal en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is in maart 2010 het zogeheten project herbeoordeling ZZP-dossiers gestart. In dat kader is op 16 juli 2010 een handleiding opgesteld met een bijlage met toetsingscriteria die worden gehanteerd bij de herbeoordeling van eerder ten aanzien van ZZP-ers genomen besluiten tot herziening, terugvordering en invordering van WW-uitkering en tot het opleggen van een boete (bijlage bij Kamerstukken II, 32 500-XV, nr. 5, hierna: Handleiding). Bij brief van 9 maart 2010 heeft het Uwv appellant erop gewezen dat hij om herziening kan vragen als voor hem geldt dat hij door één of meer medewerkers van Uwv onjuist is voorgelicht. Naar aanleiding hiervan heeft appellant het Uwv om herziening verzocht van het besluit van 10 oktober 2008. Het Uwv heeft dit verzoek afgewezen. Raad: Het oordeel van de Rb. dat het Uwv met de Handleiding geen andere dan de geldende criteria is gaan hanteren, is onjuist. Dat oordeel ziet er aan voorbij dat de Handleiding een aantal nieuwe algemene regels bevat, die door de Raad zijn aangemerkt als buitenwettelijk, begunstigend beleid, dat jegens belanghebbenden op consistente wijze moet worden toegepast. Met dat beleid is in de daarvoor in aanmerking komende gevallen wijziging of herroeping van eerder genomen besluiten van het Uwv uitdrukkelijk beoogd, ook indien die besluiten al in rechte onaantastbaar zijn geworden. Anders dan in zijn uitspraak van 1 februari 2012, LJN: BV2381, is de Raad thans van oordeel dat bij een wijziging in het recht als hier aan de orde de bestuursrechter de motivering van het bestreden besluit kan toetsen aan dat gewijzigde recht en kan beoordelen of gehele of gedeeltelijke afwijzing van de herzieningsaanvraag in overeenstemming met de Handleiding is. Appellant behoort tot één van de in de Handleiding omschreven groepen van gevallen die voor herbeoordeling volgens de in de Handleiding omschreven criteria in aanmerking komen. Met appellant moet daarom worden geoordeeld dat de Rb. een te beperkte toetsingsmaatstaf heeft gehanteerd. Deze beroepsgrond slaagt. Appellant heeft ook terecht gesteld dat het Uwv eerst had moeten beoordelen wat er is van zijn stelling dat hij onjuist is voorgelicht. De volgens het Uwv hier van toepassing zijnde haalplicht in onderdeel 2.2.3 van de Handleiding ziet immers alleen op situaties waarin de belanghebbende geen onjuiste informatie heeft gekregen. Dit betekent dat het bestreden besluit niet op een draagkrachtige motivering berust. Voorts is de Raad van oordeel dat niet kan worden gezegd dat het Uwv door het verzoek van appellant af te wijzen heeft gehandeld in strijd met zijn in de Handleiding opgenomen beleid. De Raad zal daarom de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand laten.
De uitspraak op rechtspraak.nl