CRvB 5 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX9311
Herziening AOW-uitkering: de partner van appellante geniet een WAO-uitkering, die geheel op de AOW-toeslag in mindering gebracht dient te worden. In hoger beroep heeft appellante haar stelling herhaald dat bij de vaststelling van de hoogte van het inkomen van haar partner ook rekening gehouden moet worden met de negatieve winst uit zijn onderneming in de jaren in geding. Op grond van artikel 6 van het Inkomensbesluit wordt, in het geval de winst uit bedrijf en zelfstandige uitgeoefend beroep negatief is, het inkomen op nihil gesteld. Hieruit volgt dat bij de vaststelling van de hoogte van het inkomen van de partner van appellante alleen met de WAO-uitkering rekening gehouden dient te worden, zolang de winst uit zijn bedrijf negatief is. Er zijn geen aanknopingspunten om de uitkomst van de toepassing van deze regel onredelijk te achten. Louter de stelling dat - waar ten volle rekening wordt gehouden met de WAO-uitkering - de redelijkheid gebiedt dat bij een negatief bedrijfsresultaat dit negatieve resultaat op de WAO-uitkering in mindering wordt gebracht, is in het licht van de expliciete keuze van de regelgever onvoldoende.
De uitspraak op rechtspraak.nl